
Kistje uit het Oostzeegebied
Collectie R.G.E.G. Martens, Groningen
Afbeelding overgenomen uit [1]

Butte uit het Oostzeegebied
Collectie R.G.E.G. Martens, Groningen
Afbeelding overgenomen uit [1]
'Teegoet' dat Ketelaar in Liverpool kocht
Collectie R.G.E.G. Martens, Groningen
Afbeelding overgenomen uit [1]

Zilveren lepel; door Ketelaar gekregen van bevrachter
Collectie R.G.E.G. Martens, Groningen
Afbeelding overgenomen uit [1]
Penkompas van Ketelaar
Collectie R.G.E.G. Martens, Groningen
Afbeelding overgenomen uit [1]

Trommel voor de scheepspapieren van de "Hoop".
Collectie R.G.E.G. Martens, Groningen
Afbeelding overgenomen uit [1]

Twee gebreide wollen wanten met twee duimen uit de nalatenschap
van Ketelaar. Gemakkelijk in het donker aan te schieten
Collectie Noordelijk Scheepvaartmuseum
Afbeelding overgenomen uit [1]
Kaart uit de nalatenschap van Ketelaar
Collectie R.G.E.G. Martens, Groningen
Afbeelding overgenomen uit [1]

Schaapspaspport van het beurtschip 'Jantje', 1813
Afbeelding overgenomen uit [1]

Bescheiden grafsteen van het echtpaar Ketelaar
op de vierde klasse van de Zuiderbegraafplaats te Groningen
"Ter nagedachtenis aan H.J. Ketelaar, geb. 16 nov. 1792
- overl. 11 sept. 1881 en zijne echtgenoote T.J. Bossien geb 21.
aug. 1825 - overl. 2 maart 1890" |
H.J. Ketelaar (voornamen Hendrik Jans
was schipper op verschillende kofschepen en heeft door geheel Europa
gevaard. De informatie in het museum is voor het belangrijkste gedeelte
afkomstig uit de publicatie "Waartoe zou dan al die moeijte zijn
- Het bedrijf van een Groninger kofschipkapitein 1820 - 1852"
(zie ook de bibliotheek van het museum). De afbeeldingen hiernaast
zijn ook uit deze publicatie overgenomen.
Een belangrijke bron voor de informatie uit de publicatie is het familiearchief
van de heer R.G.E.G. Mertens. Ook het merendeel van de voorwerpen
links zijn zijn eigendom.
H.J. Ketelaar trouwde op 54-jarige leeftijd in 1846 met Trijtje Bos;
Trijntje was op dat moment 21 jaar. Zij kregen in totaal 6 kinderen.
In de winter van 1852 - 1853 besloot hij te gaan rentenieren aan wal.
Op 11 september 1881 overleed hij; zijn vrouw overleed in 1889.
Van de 6 kinderen was er één op jonge leeftijd overleden.
De overige kinderen zijn nooit getrouwd en bleven bij elkaar wonen
in het ouderlijk huis in de Visserstraat; op de hoek van het Gasthuisstraatje.
De jongste dochter overleefde de overige kinderen. Na haar dood in
1939 bleek dat zij het ouderlijk huis plus fl. 100.000,- had bestemd
voor een opte richten stichting van een der allerlaatste Groninger
hofjes, de "Weldadige Stichting Ketelaar-Bos" waarin Ketelaars
naam tot in lenge van dagen zou moeten voortleven. Zie ook de sectie
Geografie - Gebouwen van het museum en
de speciale pagina over de "Weldadige Stichting Ketelaar-Bos"
van het museum.
Inhoudsopgave van de publicatie
De eerder genoemde publicatie telt 55 pagina's en de volgende indeling:
- Inleiding
- De Kapitein
- 't kofschip "De Vriendschap"
- Varen met Ketelaar
- Man en Schip
- Harlingen als thuishaven
- De resultaten
- Noten
- Bijlagen
- Literatuur
Fragment uit de indeling
In het midden van de 18de eeuw echter waren het vooral nog de
Friese kapiteins die vanuit vrijwel alle Friese havenplaatsen en Amsterdam
de Sont honderden malen per jaar passeerden. Veelal met schepen van
Amsterdamse en in mindere mate van Friese reders.
Het is niet duidelijk hoe de Groningers die vaart over hebben kunnen
nemen. Was dit proces al vóór 1800 aan de gang? Hebben
de Groningers misschien gebruik gemaakt van de ontreddering die de
Franse overheersing in de koopvaardij teweeg had gebracht door onmiddellijk
daarna een grote vloot op hun eigen werven op te bouwen? Er zijn tot
dusver maar weinig kapiteins- en rederij-archieven uit die periode
boven water gekomen. Waarschijnlijk hebben de meeste van deze éénscheeps-rederijtjes
nimmer zoiets gekend en moeten wij het doen met enkele archieven van
een paar grotere Groninger ondernemingen en wellicht met enige toevallige
ontdekkingen.
Zo'n vondst is de papieren nalatenschap van Hindrik
Jans Ketelaar, een stad-Groninger die leefde van 1792 tot 1881, en
in de jaren 1818-1853 kapitein was op verschillende kleine zeeschepen.
Hij was schipper op kofschepen waarin hij een aandeel bezat, en hij
heeft - zeker de eerste 20 jaren van zijn loopbaan - alles bewaard
wat met de financiële zijde van zijn werk als schipper-reder
te maken had. We vinden in deze collectie de rekeningen en contracten
van de bouw, uitrusting en onderhoud van de kofschepen, de gedetailleerde
rekeningen van bevoorrading en ongelden in havens en kanalen. Denk
niet, dat daaruit slechts een financieel inzicht in de bedrijfsvoering
te verkrijgen is. De schilder bijvoorbeeld beschrijft in zijn rekeningen
in welke kleuren hij de sloep schilderde en de victualiehandelaar
verraadt de favoriete drankjes van de schipper. Die detaillering,
maar ook de volledigheid van de stukken over een aantaljaren maken
het mogelijk ons een beeld van het werk van deze schipper-reder en
zijn bemanning op een kofschip te vormen.
Aan dit beeld mogen we geen algemene geldigheid toekennen. Het gaat
hier om slechts één schipper. Anderzijds kunnen we constateren
dat dit beeld goed past in het onvolledige patroon dat we reeds van
de kleine vaart in die periode en daarvoor hadden, zodat het onwaarschijnlijk
is dat we iets heel afwijkends beschrijven.
Ketelaars zeemanspapieren kwamen in 1939 in bezit van een van de erfgenamen
van zijnjongste dochter, de Groninger kunstschilder George Martens
(1894-1979), een der oprichters van 'de Ploeg' in 1918. Martens, die
vele scheepstaferelen heeft getekend en zelf een groot liefhebber
van varen was, heeft de waarde van deze papieren destijds herkend
en ze voor het nageslacht bewaard.
Fragmenten uit hoofdstuk 2
HindrikJans Ketelaar werd op 16 november 1792 geboren als het
vierde kind van het echtpaarJans Everts Ketelaar, beurtschipper op
Amsterdam en de schippersdochter Trijntje Scholtens. Eigenlijk was
hij het zesde kind; twee broertjes die allebei ook de naam Hinderikus
hadden gedragen waren kort na hun geboorte overleden. Het ouderlijk
huis stond op de hoek van de Visserstraat en het Gasthuisstraatje
in Groningen, midden in de oude buurt die ligt in de rechte hoek tussen
de voormalige zeehavens: de Noorder- en Zuiderhaven. Dat waren niet
meer dan bescheiden verbredingen van twee riviertjes, de Hunze en
de (Drentse) A. Na hun samenkomen, stroomden ze door een coupure in
de vestingwerken als Reitdiep
naar de Lauwerszee. Een ondiepe getijdenrivier, enigszins gekanaliseerd
in de 17de eeuw, maar nog steeds met hinderlijke kronkels, die moeilijk
te bevaren en ongeschikt was voor grotere geladen zeeschepen.
De stad Groningen was echter in de eerste plaats een belangrijk handels-
en verzorgingscentrum voor een wijde omgeving, beslist geen zeehaven
van belang en de accomodaties hadden een daarbij passende kleine omvang
en allure.
De eerste vermelding van Hindrik in het archief dateert uit 1802.
Als bijna IQ-jarige schreefHindrik moeizaam stichtelijke en geleerde
teksten over. Zijn vader voer samen met zijn oudste broer Evert op
het beurtschip 'Jantje' op Amsterdam. Het Intermediair Gemeentebestuur
van die stad had Ketelaar op 29 juni 1802 als schipper benoemd en
hij had de daarvoor vereiste twee eden afgelegd: de eed van zuivering
en de speciale eed 'voor de Markt-, Beurt-, Veer- en andere Schippers',
in handen van het Committé van
Algemeen Welzyn. De Franse invloed herkennen we in de namen van de
bestuurlijke organen. Een beurtschipper had een vertrouwenspositie,
die onder meer tot uitdrukking kwam in een cautie vanJI.200, die twee
borgen 'voor zyne getrouwigheid' hadden moeten stellen.
Vader Ketelaar overleed in de zomer van 1807, Evert legde op 30 september
de eed van beurtschipper in handen van de dan verfranste 'Senateurs
de la ville d' Amsterdam' af en voer met zijn broer Pieter als knecht
verder. Hindrik schrijft dan nog steeds dezelfde teksten over, maar
zijn handschrift is wel volwassener geworden. We weten niet ofhij
zich in die tijd ook voorbereid heeft op zijn latere zeemansloopbaan,
de leerlingenlijsten van de Groninger zeevaartschool uit die jaren
zijn niet meer aanwezig. Nautisch onderwijs werd echter ook dikwijls
gegeven door kapiteins die, in roste of' s winters aan de wal, leergierige
jongelieden onder hun hoede wilden nemen..
De inlijving van Nederland bij het Franse keizerrijk in
juli 1810 had ook voor de beurtvaart duidelijke gevolgen. Het schip
van de Ketelaars werd onder Franse vlag gebracht bij 'Acte de Francisation'
van 22 april 181 I en daarin kunnen we zien om welk type schip het
ging. 'Le Jantje' heet in die akte een tjalk, in 1794 in Groningen
gebouwd, over de stevens 56 voet lang, breed I I voet 5 duim en hol
5 voet 8 duim. Wanneer dit Groninger maat is, komt het neer op 16,40
x 3,35 x 1,65 m. In 1846 kwam er een grote verandering
in zijn leven: hij trad in het huwelijk met de schippersdochter Trijntje
Bos. Hindrik is dan 54, zijn bruid 21 jaar. Eigenlijk behoorde zij
al tot de familie want haar moeder en de vrouw van broer Evert, de
beurtschipper, waren zusters. Hindriks huwelijksaanzoek werd door
een derde zuster aan de moeder en stiefvader van de bruid overgebracht.
Hijzelf was in het vroege voorjaar van 1846 naar Amsterdam gereisd
waar de 'Hoop', die in winterlaag had gelegen, voor de komende reizen
moest worden opgetuigd. Maar hij kreeg schriftelijk uitslag: . . .
wij kunnen U tot onze blijdschap melden dat toen ik denzelfden dag
van Uw vertrek de tieding bragt dat gie achting en genegenheit had
voor Trienje was zij zeer verheugd. De ouders en Broder zijn er allen
zeer wel met ingenomen. Van der Haar (stiefvader van de bruid, FJL)
heft gezegd: voor Ketelaar staat mien deur soe wel bije dag als bije
nagt open. . .De bruiloft had plaats op 26 november 1846. Nog niet
in hun eerste huwelijksjaren, maar na 1850 komt er in de correspondentie
met zijn vrouw eindelijk iets van de gevoelens van de kapitein naar
buiten. Hij miste haar en zijn jonge gezin, verborg dat onder gemopper
over de vrachtprijzen die overigens helemaal niet zo slecht waren.
Toch begon hij over opleggen te denken. De ware animo voor het varen
was verdwenen.
Fragment uit hoofdstuk 7
Hindrik en zijn vrouw Trijntje kregen in totaal zes kinderen waarvan
de laatste, een nakomertje, in 1868 levenloos werd geboren. De rustend
kapitein kocht huizen en eenkamerwoningen en woonde graag verkopingen
bij, waar hij zich allerlei zaken aanschafte: van huishoudelijke artikelen
tot zilver en goud. Zijn geld had hij verder belegd in effecten.
Tegen het einde van zijn leven werd Ketelaar een zuinig man. Hij overleed
op 1 I september 1881, bijna 89 jaar oud. Hij had zijn doodgeboren
dochtertje in 1868 nog een tweede klasse graf gegund, zelf werd hij
vierde klasse begraven. Zijn vrouw volgde in 1890. De vijfkinderen
geven verder een weinig opgewekt beeld te zien. Zij bleven allen ongetrouwd,
woonden met elkaar in het ouderlijk huis in de Visserstraat en voerden
een uiterst zuinig huishouden, dat hun tijdgenoten veel stof tot verhalen
verschafte. De een na de ander overleed, zodat tenslotte de jongste
dochter, Jantina Bernardina, alle bezittingen alleen verwierf. Na
haar dood in 1939 bleek dat zij het ouderlijk huis plusfloo.ooo had
bestemd voor een op te richten stichting van een der allerlaatste
Groninger hofjes, de 'Weldadige Stichting Ketelaar-Bos', waarin Ketelaars
naam tot in lengte van dagen zou moeten voortleven.
GENEALOGIE
De genealogie van schipper H.J. Ketelaar is terug te vinden op deze
pagina van het Ketelaar Museum.
LITERATUUR
[1] "Waartoe zou dan al die moeijte zijn - Het bedrijf van een
Groninger kofschipkapitein 1820 - 1852" - dr J.L. Loomeijer,
het Peperhuis 1986
|