05/06/2011
 | Teksten uit de oude doos
Om een definitief einde aan deze onhoudbare toestand te maken gaf het college 7 maart 1753 opdracht aan schoolmeester Adrianus Ketelaar, een advies uit te brengen over het bevaarbaar maken en houden van de rivier. Onder inventarisnummer 547 van het administratief-bestuurlijk archief van de vrijheid Roosendaal en de heerlijkheid Nispen berust bij de gemeentelijke archiefdienst het door Ketelaar opgestelde rapport. Het verslag van het door de schoolmeester gedane onderzoek geeft een nauwgezet beeld van de situatie van de rivier en de scheepvaart in Roosendaal in het midden van de achttiende eeuw. Ketelaar geeft in zijn rapport een uitvoerige en gedetailleerde uiteenzetting van de waterstaatkundige verbeteringswerkzaamheden die zouden moeten worden verricht. Centraal daarbij staat het uitgangspunt dat de verzanding van de rivier moet worden bestreden door een extra toevoer van water, dat voor de noodzakelijke uitschuring dient te zorgen. Via een ingewikkeld en veelomvattend systeem van kanalisatie, bedijking en aanleg van sluizen meent hij een dergelijke situatie te kunnen realiseren. Uiteraard brengt deze aanpak de nodige kosten met zich mee. Maar Ketelaar ziet hierin geen bezwaren: "Dit alles uytgevoerd zynde soo twijffele ik geenszins off de rivier zal zoo alderbest en d'uursaamste navigabel blijven en dus aan syne daar aan besteede onkosten wel viervoudig beantwoorden". Zelf heeft hij er van afgezien een exacte berekening van de kosten te maken. Dit liet hij gaarne over aan anderen. Maar diegenen die over de financiering van het plan diende te beslissen dachten daar toch wat anders over.Het plan van Ketelaar is in de praktijk nooit in zijn geheel uitgevoerd. Slechts een gedeelte van de voorgestelde werkzaamheden werd in 1757 aanbesteed. Het betrof het gedeeltelijk kanaliseren en uitbaggeren van de rivier, dat voor een bedrag van ƒ 8.000,-- werd uitgevoerd door Pieter Romer en zijn zoon Anthony Romer. | |