|
LITERATUUR
 reageren
|
|
De ketellapper van Tamlacht
Uit: De ketellapper van Tamlacht en andere Ierse verhalen
Seumas MacManus – Uitgeverij Christofoor, Zeist
ISBN: 90 6238 168 5 geb. Heel, heel lang geleden woonde er
in Donegal, in een dorp dat Tamlacht heette, een arme ketellapper,
die bekend stond als de ketellapper van Tamlacht. En een verbazend
arm man was hij.
Het gebeurde op een morgen, dat hij opstond van zijn bed en dat
er voor hem en zijn vrouw niets te eten in huis was. De meelkist
was leeg en ook de kast en hij had ook geen geld meer in zijn zak.
Maar het geluk wilde dat hij die ochtend werd geroepen zes mijl
over de bergen te gaan om ergens een distilleerketel te herstellen.
Hij ging erheen en maakte de ketel in orde, werd betaald - drie
zilveren shillings stak hij in zijn zak - en ging weer naar huis
langs de bergweg.
Hij volgde de bergweg tot aan het moeras, waar de weg omheen boog.
Maar de ketellapper die haast had om thuis te komen waar zijn vrouw
hongerig op haar ontbijt wachtte, verliet de weg en ging rechtuit
door het moeras.
Toen nu de ketellapper het moeras inliep, merkte hij dat hij bij
elke stap wat dieper wegzonk en wegzonk en tenslotte werd hij zo
kwaad dat hij midden in het moeras bleef staan en uit de grond van
zijn hart zei: 'De duivel mag me halen als ik ooit nog eens langs
dit pad ga!' |
 |
Goed. Eindelijk raakte de ketellapper toch uit het moeras en weer op
de vaste weg en volgde die tot aan een wegkruising. En daar zat, gehurkt.
een ellendIge. ongelukkige, haveloze bedelaar die een magere hand uitstak
en vroeg om een aalmoes in Godsnaam.
Nu kon de ketellapper van Tamlacht, teerhartigste man van heel Ierland
zich nooit doof houden voor een noodkreet, nooit kon hij iemand iets weigeren.
dus stak hij zijn hand in zijn zak, nam er een zilveren shilling uit en
gaf hem aan de bedelaar - kreeg een 'God zegene u' als dank - en ging
verder.
Een mijl verderop kwam hij aan een volgende wegkruising, en daar zat nog
een ellendige, ongelukkige, haveloze bedelaar die een magere hand uitstak
en vroeg om een aalmoes in Godsnaam. De ketellapper van Tamlacht, teerhartigste
man van heel Ierland, kon zich nooit doof houden voor een noodkreet -
hij stak zijn hand in zijn zak, nam er een zilveren shilling uit en gaf
hem aan deze stakker, kreeg een 'God zegene u!' en ging verder.
Op nog geen mijl afstand van zijn eigen huis kwam hij aan bij een derde
wegkruising en zag daar een derde ellendige, ongelukkige, haveloze bedelaar
die een magere hand uitstak en vroeg om een aalmoes in Godsnaam. De ketellapper
van Tamlacht, teerhartigste man van heel Ierland, bleef stilstaan. Hij
stak zijn hand in zijn zak, nam er zijn derde en laatste shilling uit,
bekeek hem, keek van de shilling naar de hongerige bedelaar en dacht aan
zijn vrouw die hongerig thuis zat - en zijn hart werd verscheurd. Hij
zei tot de bedelaar: 'Ik heb nog maar één zilveren shilling,
die staat tussen mijn vrouwen mij en de hongerdood. Ik zal je zeggen wat
ik zal doen: ik zal deze shilling doormidden breken en jou de helft geven.'
'Nee', zei de bedelaar. 'Geef me alles of geef me niets.'
De ketellapper van Tamlacht, teerhartigste man van heel Ierland, die zich
nooit doof hield voor een noodkreet, reikte zijn laatste shilling aan
de bedelaar! Op hetzelfde ogenblik rees de ellendige, ongelukkige, haveloze
gestalte overeind, de vodden vielen van hem af, en zie! het was een stralende
engel die daar voor de ketellapper op de weg stond! De engel zei: 'Ik
heb je vanmorgen drie keer op de proef gesteld en ik merk dat je een man
naar Gods eigen hart bent. Nu moet je beloond worden. Je mag drie wensen
doen.'
Opgetogen zei de ketellapper: 'Ik weet wat mijn eerste wens zal zijn.'
'En wat is dat dan?' vroeg de engel.
'Het is', zei de ketellapper, 'dat mijn meelkist die thuis leegstaat,
met meel gevuld mag worden.'
De engel glimlachte en zei: 'Je wens is vervuld. Wat is je tweede wens?'
De ketellapper moest lang nadenken over wat zijn tweede wens zou zijn,
nu de meelkist gevuld was. Maar eindelijk wist hij het. 'Ja, ik heb een
tweede wens', zei hij. 'Als ik naar een huisje in de bergen ga om een
pot of een pan of een ketel te herstellen, dan leg ik deze zak met gereedschappen
die ik hier op mijn schouders draag, op de vloer. En dan komen alle kleine
kinderen eropaf, en de een neemt dit werktuig mee en de andere dat, en
als ik dan naar mijn zak grijp om ie"ts te pakken, dan is het er
niet. En nu', zei hij, 'wens ik dat alles wat in die zak zit er niet uit
kan totdat ik het er zelf uithaal.'
De engel glimlachte en zei: 'Je wens is vervuld. Wat is je derde wens?'
De ketellapper moest lang nadenken eer hij wist wat hij nog met mogelijkheid
te wensen kon hebben in deze wereld, maar eindelijk herinnerde hij het
zich en hij zei: 'Ja, ik heb nog een derde wens. Bij mijn huisje daarginds',
zei hij, 'heb ik een tuintje, en in die tuin staat één appelboom.
Die boom heeft dertig jaar lang appels gedragen, maar ik heb nog nooit
de smaak van mijn eigen appels geproefd. Omdat', zei hij, 'iedere kleine
schelm op weg van huis naar school of
van school naar huis mijn tuin binnenvalt en de appels steelt eer ze nog
half rijp zijn. En nu', zei hij, 'wens ik dat ieder die een hand aan de
appels slaat, zijn hand aan de appel vast blijft zitten totdat ik hem
losmaak.'
De engel glimlachte en zei: 'Je wens wordt vervuld. Ik zou alleen wel
willen dat je grotere dingen had gewenst', - en hij verdween. Maar de
ketellapper vond dat hij de grootste dingen ter wereld had gekregen en
ging blij naar huis.
Nog gelukkiger was hij toen hij thuiskwam en zag dat zijn meelkist vol
was. Hij en zijn vrouw leefden twee maanden lang genoeglijk van dat meel,
toen was het op en de kist was leeg.
Toen de ketellapper de volgende ochtend opstond, was hij erg bedrukt.
Er was niets meer te eten in huis. Maar het geluk was met hem, want die
morgen werd hij opnieuw naar hetzelfde huis over de bergen geroepen om
een distilleerketel te herstellen. Hij ging erheen, maakte de ketel in
orde, kreeg zijn geld, en ging weer naar huis langs de bergweg. Hij volgde
de weg tot waar die om het moeras heen boog. En de ketellapper in zijn
haast om thuis te komen, verliet de grote weg en nam weer het kortste
pad door het moeras.
Maar zie! hij was nog niet goed en wel het moeras ingegaan of daar werd
hij op de schouders getikt en, omkijkend, wie zag hij daar achter zich?
De Duivel! De ketellapper was stomverbaasd. Toen hij zijn spraak weer
terugvond zei hij: 'Wat verschaft mij de eer van dit bezoek?'
De Duivel zei: 'Je moet wel geweldig kort van memorie zijn. Twee maanden
geleden doorkruiste je ook dit moeras en je bleef in het midden staan
en zei uit de grond van je hart, De Duivel mag me halen als ik ooit nog
eens langs dit pad ga!" Nu ben ik hier om mijn deel in de overeenkomst
uit te voeren.'
De arme ketellapper moest het hoofd buigen en met de Duivel meegaan.
De Duivel nam hem mee, het moeras uit, en langs de grote weg naar zijn
eigen verblijfplaats. Nu voerde de weg naar de hel toevallig door het
dorp van de ketellapper en toen ze er vlakbij waren, bleef de ketellapper
staan op de weg en zei tot de Duivel:
'Ik twijfel er niet aan of je bent op jouw manier fatsoenlijk en achtenswaardig,
maar de mensen in mijn dorp hebben iets op je tegen.'
'Nou', zei de Duivel, 'wat kan ik daaraan doen?'
'Je kunt dit eraan doen', zei de ketellapper. 'Iedereen weet dat je de
macht bezit
jezelf te veranderen in iedere gedaante die je maar wilt. Al wat je hebt
te doen, is jezelf veranderen in iets anders, zodat niemand je zal herkennen
terwijl wij door mijn dorp gaan waar iedereen mij kent. Als we dan aan
de andere kant van het dorp komen, waar niemand mij kent, kun je weer
in je eigen gedaante terugkeren. '
'Best', zei de Duivel, die zijn vrienden graag een plezier doet. 'In wat
zal ik me veranderen?'
'Het handigste watje kunt doen', zei de ketellapper, 'is jezelf te veranderen
in een stukje lood dat ik in mijn zak hier kan stoppen.'
De arme, onschuldige Duivel veranderde zich nietsvermoedend in een stukje
lood en ging in de zak van de ketellapper. Die knipte de zak dicht, hees
hem op zijn schouder en liep ermee naar de dichtstbijzijnde smidse. Daar
gooide hij de zak op het aambeeld en zei tegen de half dozijn grote, forse
boerenzoons die er omheen stonden: 'Jongens, toen ik hierheen kwam, merkte
ik dat er iets hipte en sprong in deze zak. Ik denk niet dat het iets
goeds is. Pak die voorhamers eens en laten we zien wat het is.'
De grote kerels grepen stuk voor stuk een voorhamer. De eerste zwaaide
de hamer boven zijn hoofd en liet hem met alle kracht van zijn arm neerkomen
op de zak op het aambeeld - waarna een krijsende gil uit de zak klonk!
En toen de volgende, en de volgende, en weer de volgende hamer op de zak
neerkwam, was het één huilen en gillen en krijsen en roepen
van: 'Laat me eruit! Laat me eruit! LAAT ME ERUIT!'
'Allemachtig, jongens', zei de ketellapper, 'ik geloof dat het de Duivel
zelf moet zijn daar in die zak! Misschien komt er een tijd, jongens, dat
hij jullie de baas zal zijn, maar nu zijn jullie hem de baas, dus geef
hem er van langs!'
Toen de jongens hoorden dat het de Duivel was daar in de zak, hadden ze
niet veel aanmoediging nodig. Ieder van hen zwaaide de voorhamer boven
zijn hoofd en liet hem met alle kracht van zijn arm en venijn van zijn
hart neerkomen op de zak op het aambeeld; en met iedere slag klonk het
gehuil en gegil en gekrijs uit de zak en het: 'Laat me eruit! Laat me
eruit! LAAT ME ERUIT!'
Maar de ketellapper wilde hem er niet uitlaten. Toen ten slotte de arme
Duivel in de zak leven en ziel waren uitgeslagen, rees hij omhoog met
zak en al, nam het dak mee op zijn vlucht in een vurige vlam, en verdween.
Bevrijd en gelukkig ging de ketellapper naar huis. En toen hij thuis kwam
werd hij nog gelukkiger, want daar had zijn vrouw een kindje gekregen.
Zij vroeg hem eropuit te gaan en een peet voor het kind te halen.
De ketellapper ging uit om een peet te zoeken. De eerste, die hij tegenkwam
was de grote, rijke, Engelse landheer van die streek die hem vroeg waar
hij naar toe ging. De ketellapper zei: 'Ik zoek een peet voor mijn kind.'
De grote bodach van een landheer zei: 'Wil je mij nemen?'
'Nee', zei de ketellapper, 'u neem ik niet. U glimlacht tegen de rijken
en kijkt nors naar de armen. U zult niet de peet van mijn kind worden.'
En hij ging verder.
De volgende die hij tegenkwam op de weg was God. Toen God de boodschap
van de ketellapper hoorde, vroeg Hij: 'Wil je mij nemen als peet?'
'Nee', zei de ketellapper. 'U neem ik niet. U laat die grote, rijke bodach
(schurk) van een landheer daarginds op de heuvel iedere dag rijker worden,
en die arme weduwe met zeven kinderen daar beneden in het dal laat u steeds
armer
worden. Ik wil u niet hebben als peet voor mijn kind.'
En hij ging verder.
De volgende die hij tegenkwam op de weg was de Dood, en de Dood vroeg
hem waar hij heenging. Hij zei: 'Ik zoek een peet voor mijn kind.' En
de Dood zei: 'Wil je mij nemen?'
'Ja', zei de ketellapper, 'u neem ik. U bent de eerlijkste en rechtvaardigste
van de hele wereld. Voor u zijn hoog en laag, rijk en arm, jong en oud,
allemaal gelijk. U zult de peet worden van mijn kind.'
Hij nam de Dood mee naar huis en de Dood werd peet.
'En nu', zei de Dood, 'nu moetje beloond worden omdat je mij als peet
hebt gekozen. '
Hij nam uit zijn gordel een klein flesje en overhandigde dat aan de ketellapper.
Hij zei: 'Hier is een flesje dat nooit leegraakt, hoeveel je er ook uitgiet.
Het is een flesje Ioc Slainte (gezondheids-olie). Drie druppels op de
tong van een zieke die geneselijk is, en het doet er niet toe hoe ziek
hij is, maar hij zal onmiddellijk genezen zijn. Ik geef je dit flesje
en ik geef je ook het vermogen mij te zien. Als je een ziekenkamer binnenkomt,
zul je mij zien staan, aan het voeteneind of aan het hoofdeind van het
bed. Sta ik aan het hoofdeinde, dan heb ik die zieke voor mijzelf bestemd.
Maar als je mij aan het voeteneind ziet staan, onverschillig hoe ziek
de patiënt is, drie druppels uit het flesje op zijn tong en hij zal
onmiddelliJK genezen zijn.' En daarna verdween de Dood.
De ketellapper ging uit om zijn flesje te beproeven. Hij hoorde dat er
in een bepaald huisje een meisje stervende was (naar ze dachten), ging
erheen en trad de ziekenkamer binnen. En zag de Dood aan het voeteneind
van het bed staan. Toen goot hij drie druppels van de Ioc Slainte uit
zijn flesje op de tong van he;. meisje en het meisje dat stervende was
(naar ze dachten) ging overeind zitten in bed en praatte en babbelde en
lachte, helemaal genezen.
De verbaasde mensen in de ziekenkamer liepen naar buiten en vertelden
overal in het rond over de ketellapper van Tamlacht en zijn wonderbare
flesje. En daarna, als er ook maar ergens iemand ziek was, lieten ze de
ketellapper van Tamlacht halen. En tot ieders verbazing kon de ketellapper
op het ogenblik dat hij een ziekenkamer binnenkwam, zeggen of de zieke
geneselijk of ongeneselijk was - en als hij geneselijk was kon de ketellapper
hem onmidddelijk betermaken met op zijn tong drie druppels uit het flesje.
Zijn roem verbreidde zich snel en van nabij en ver, van noord, zuid,
oost en west, lieten de mensen de ketellapper van Tamlacht roepen. En
honderd jaar lang trok hij Ierland door, genezend wie geneselijk was -
en zamelde goud en vergaarde goed, land en strand, vee en kastelen - alles
was van hem. En aan het eind van die honderd jaar was hij de rijkste en
tevens de beroemdste man van heel Ierland.
Op een dag, na honderd jaar, reed hij langs een bergweg in Donegal- hij
reed in een koets met vier paarden, hij die vroeger langs de weg sjokte
als haveloze, arme ketellapper met een zak op zijn schouder! Toen hij
langs een hut kwam, hoorde hij daarbinnen een hartverscheurende jammerkreet.
Nu kon de ketellapper van Tamlacht, teerhartigste man van heel Ierland,
zich nooit doof houden voor een noodkreet. Hij liet zijn koetsier stilhouden,
stapte uit de koets en ging het hutje binnen - waar hij een arme weduwe
vond die hartbrekend klaagde en schreide omdat, zoals ze zei, haar zoon
en enige steun op sterven lag.
Hij zei tegen haar: 'Laat mij eens bij hem kijken. Ik ben de ketellapper
van Tamlacht. '
Toen ze hoorde dat hij de beroemde ketellapper van Tamlacht was, was zij
buiten zichzelf van vreugde. Zij riep: 'Kom mee, kom mee en genees mijn
zoon!' - en leidde de ketellapper naar de kamer.
Maar ach! Toen hij de ziekenkamer binnenkwam, zag de ketellapper de Dood
aan het hoofdeinde van het bed staan! Hij schudde treurig zijn hoofd en
zei: 'Och, arme vrouw, het spijt me voor je, maar ik kan je zoon niet
genezen' - en ging naar buiten.
De arme vrouw volgde hem en wierp zich op de weg voor hem op haar knieën
en smeekte hem, in 's hemelsnaam en in alle andere namen, terug te gaan
en haar zoon te genezen. 'Want als hij sterft', zei ze, 'dan sterf ik
ook, aan een gebroken hart.'
De ketellapper van Tamlacht, teerhartigste man van heel Ierland, die zich
nooit doof kon houden voor een noodkreet, bleef staan op de weg en dacht
na. Hij zei tegen de arme vrouw: 'Wil je vier flinke, grote, sterke jongemannen
voor me halen?'
Zij haalde vier flinke, grote, sterke jongemannen en hij zei tot hen:
'Ga met mij mee.'
Hij voerde hen de hut binnen en naar boven,naar de ziekenkamer, waar hij
de vier flinke, grote, sterke jongemannen neerzette, één
bij iedere hoek van het bed. En toen hij de vier flinke, grote, sterke
jongemannen daar had neergezet, één bij iedere hoek van
het bed, klapte hij in zijn handen als teken en zei: 'Vlug, jongens! draai
het bed achterstevoren!'
En de jongens draaiden vlug het bed achterstevoren, zodat de Dood nu aan
het voeteneind stond. De ketellapper nam zijn flesje en goot drie druppels
Ioc Slainte op de tong van de stervende jongen, en de stervende ging overeind
zitten in bed en praatte en babbelde en lachte - helemaal genezen! Beter
dan hij ooit van zijn levensdagen was geweest!
De ketellapper van Tamlacht had menige gouden beloning gekregen op menig
kasteel in het land, maar hij vond dat hij nog nooit half zo gelukkig
een kasteel had verlaten met een goudstuk in zijn zak, als hij die dag
dat huisje verliet, overladen met de dank en zegenbeden van die arme weduwe.
In gelukkige stemming zou hij weer in zijn koets stappen maar voelde
op dat ogenblik dat hij op de schouders werd getikt. Hij keek om en daar
stond de Dood achter hem! De Dood zei: 'Jij dacht mij te kunnen bedotten,
maar die het laatst lacht, lacht het best. Nu is het gedaan met je loopbaan.
Ga met mij mee!'
En de ketellapper van Tamlacht moest het hoofd buigen en met de Dood meegaan
- die hem meenam langs de weg die voerde naar de andere wereld. Nu gebeurde
het dat zij op hun tocht langs het huisje kwamen waar de ketellapper vroeger
woonde, honderd jaar geleden, toen hij nog maar een arme ketellapper was.
Hij vestigde de aandacht van de Dood op het huisje en zei: 'Menige gelukkige
dag heb ik in dat kleine huisje doorgebracht, meer dan honderd jaar geleden
toen ik nog maar een arme ketellapper was; als ik in de andere wereld
ben, zal ik vaak, heel vaak denken aan die gelukkige dagen. Zou u me willen
toestaan een kleine herinnering mee te nemen naar de volgende wereld?'
'Ja, zeker wel', zei de Dood. 'Wat zou je willen hebben?'
'Zou u wel in de tuin willen gaan', vroeg de ketellapper, 'en een van
de appels van die appelboom plukken?'
'Dat is een machtig klein verzoek', zei de Dood. 'Ik zal er een dozijn
voor je plukken. '
'0, één is genoeg', zei de ketellapper.
In de tuin ging de Dood en wilde een appel van de boom plukken, maar 0
wee! toen hij de appel beetpakte, bleef zijn hand vastzitten aan de appel
en de appel bleef vastzitten aan de boom! Hij trok en wrong, maar hij
kon niet loskomen. En hij riep naar de ketellapper: 'Kom hier en trek
mij los!'
'Och', zei de ketellapper, 'jij hebt zo lang rondgewandeld op de wereld,
neem nu maar eens een poosje rust.'
En de ketellapper liet de Dood achter, vastgekleefd aan de appelboom,
en ging de wereld weer in en genas nu alle zieken. Zijn naam en faam waren
nu bekend tot de einden der aarde, en van alle einden der aarde werd hij
geroepen door hoog en laag, rijk en arm, edele en ridder, bedelaar en
baron - iedereen, die ziek was liet de ketellapper van Tamlacht komen.
En allen werden ze genezen.
Honderd jaar lang ging hij zo de wereld door, iedere zieke genezend -
en honderd jaar lang stierf er niemand op de hele wereld. En de ketellapper
vergaarde nog meer goud en goed, landen en stranden, vee en kastelen -
tot hij de rijkste en beroemdste man ter wereld werd.
Aan het eind van die honderd jaar reed hij toevallig weer langs dezelfde
bergweg in Donegal en, langs zijn oude huisje komend, keek hij uit zijn
koets en zag de Dood nog steeds vastgekleefd aan de appelboom.
En hij zei: 'Ben jij daar nog?'
'Och', smeekte de Dood, 'ik heb onbeschrijfelijk leed geleden in de honderd
jaar dat ik hier nu hang. Laat me vrij! Laat me vrij! Laat me vrij, en
ik zal je nog eens honderd jaar te leven geven!'
De ketellapper van Tamlacht, teerhartigste man van Ierland, kon zich nooit
doof houden voor een noodkreet. Hij zei: 'Goed. Laat los!' En de Dood
liet los. En als de Dood de laatste honderd jaar dan al niemand had kunnen
halen, nu ging hij de wereld door en oogstte een rijke oogst en hij probeerde
alles wat hij in honderd jaar had verloren, weer in te halen.
Maar de ketellapper van Tamlacht kon dat niet schelen, want hij had alle
goud en goed vergaard die een mens zich maar kon wensen. En honderd jaar
lang leefde hij in opperste weelde en verheugde zich in alle vreugden
van de wereldhonderd jaren, die voorbijgingen als één enkel
jaar, zo heerlijk waren ze.
Toen kwam er ten slotte een avond dat hij in zijn kasteel zat, na de maaltijd
en genoot van zijn pijp en zijn glas, en voelde dat hij op de schouder
werd getikt. Hij draaide zich om en daar stond de Dood die hem toegrijnsde.
De Dood zei: 'Nu zijn je honderd jaren voorbij. Nu ga je met mij mee.'
De arme ketellapper zat verstomd. Maar toen hij weer iets kon uitbrengen,
zei hij: 'Goed, als ik met je mee moet, dan zal ik wel moeten. Maar weetje',
zei hij, 'ik heb zo vele en zo grote bezittingen dat ik tijd nodig heb
om mijn zaken op orde te brengen. Wacht nog even tot ik mijn testament
heb gemaakt.'
'Ik heb geen tijd om te wachten!' riep de Dood. 'Kom!'
De ketellapper pleitte en, naar een kaars op tafel wijzend die bijna tot
in de kandelaar was opgebrand, zei hij: 'Je hoeft alleen maar te wachten
tot die kaars is opgebrand.'
'Goed dan', snauwde de Dood. 'Schiet dan op. Ik zalje niet meenemen tot
die kaars is opgebrand.'
'Dat is best', zei de ketellapper en blies de kaars uit. 'Die kaars zal
nooit opbranden. '
De Dood werd woedend en sprong om de ketellapper heen en zwoer wraak.
Maar hij kon niets doen, want hij had beloofd de ketellapper niet mee
te nemen eer de kaars was opgebrand.
Zorgvuldig nam de ketellapper van Tamlacht het eindje kaars mee naar een
moeras en begroef het honderd voet diep om er zeker van te zijn dat het
nooit meer zou branden.
Maar de Dood, vol wraakgevoelens, hield het begraven eindje kaars in gedachten
tot, na honderd jaar, het moeras was opgedroogd. Toen haalde hij het en
brandde het op.
Gedurende die honderd jaren leefde de ketellapper in opperste weelde,
zich verheugend in alle vreugden van de wereld - honderd jaren die voorbij
waren gegaan als één enkel jaar, zo heerlijk waren ze.
Aan het eind van die tijd zat de ketellapper op een avond in zijn kasteel,
na het eten, met zijn pijp en zijn glas, toen hij voelde dat hij op de
schouder werd getikt. Hij draaide zich om en aanschouwde de Dood die hem
toegrijnsde. De Dood deelde hem mee dat de kaars was opgebrand.
'En nu', zei de Dood, 'ga je met me mee!'
De ketellapper zat verstomd, maar toen hij weer iets kon uitbrengen, zei
hij: 'Goed, als ik met je mee moet, dan zal ik wel moeten. Maar weet je',
zei hij, 'ik schaam me dood omdat ik de andere wereld moet binnengaan
en zal moeten zeggen dat ik de laatste driehonderd jaar geen enkel gebed
tot God heb gebeden. Ik wil graag dat je wacht terwijl ik een paar gebeden
doe.'
De Dood riep uit: 'Ik heb geen tijd om te wachten! Kom! Kom mee!' 'Och',
pleitte de ketellapper, 'ik vraagje alleen maar om even te wachten tot
ik één paternoster heb gebeden.'
'Goed dan', snauwde de Dood. 'Maar doe het wel vlug! Ik zal je niet meenemen
eer je een paternoster hebt gebeden.'
'Dat is best', zei de ketellapper. 'Ik zal nooit van mijn leven meer een
paternoster opzeggen.'
De Dood werd verschrikkelijk kwaad en sprong om de ketellapper heen en
zwoer wraak, maar de ketellapper lachte hem hartelijk uit. Want niets
kon de Dood hem doen, omdat hij zijn woord had gegeven hem niet mee te
nemen eer hij een paternoster had gebeden.
Nog eens honderd jaar lang leefde de ketellapper in opperste weelde, zich
verheugend in alle vreugden van de wereld - honderd jaren die opnieuw
voorbijgingen als één enkel jaar, zo heerlijk waren ze.
Maar op een avond na honderd jaar reed de ketellapper in zijn koets met
vier paarden over een bergweg in Donegal. Toen ze een brug overgingen,
hoorde hij een wilde jammerklacht opstijgen van onder de brug. De ketellapper
vanTamlacht, teerhartigste man van heel Ierland, kon zich nooit doof houden
voor een noodkreet. Hij liet zijn koets stilhouden, stapte uit en ging
naar beneden onder de brug, waar hij een ellendig, meelijwekkend, arm
wezen in elkaar gedoken zag zitten dat hartbrekend klaagde en jammerde.
Het hart van de ketellapper was ontroerd. Hij zei: 'Mijn arm schepsel,
wie ben je en wat is er met je?'
Het wezen keek naar hem op en zei: 'Ik - ben - een - ziel! Ik ben een
ziel, die zevenhonderd jaar geleden op aarde leefde, en die zevenhonderd
jaar heeft geleden in het vagevuur omdat ik een penitentie die mij op
aarde was opgelegd, niet heb volbracht. En nooit kan ik bevrijd worden
uit het vagevuur als ik niet een sterveling vind die mijn penitentie op
zich wil nemen.'
'Mijn arm schepsel', zei de ketellapper, 'als het iets is dat een arme
zondaar als ik voor je kan doen, dan zul je gauw vrij zijn. Wat is het?'
Het ellendige wezen zei: 'Toen ik nog op aarde was, zevenhonderd jaar
geleden, werd mij de penitentie opgelegd om een paternoster te bidden
en dat heb ik nagelaten. Als jij het voor me wilt doen, zal ik onmiddellijk
bevrijd zijn.' 'Waarlijk, mijn arm schepsel', zei de ketellapper, 'je
zult weldra bevrijd zijn.' En de ketellapper plofte neer op zijn knieën
en zond een paternoster op. En op het ogenblik dat hij ermee klaar was,
rees het ellendige wezen op, de vodden vielen van hem af, en zie! daar
stond de Dood.
De Dood keek grijnzend neer op de ketellapper en zei: 'Nu heb je je paternoster
gebeden. Nu ga je met mij mee. Nu kun je me niet meer voor de gek houden!'
Toen de ketellapper bekwam van zijn stomme verbazing, boog hij het hoofd
en zei: 'Ik ben gereed om met u mee te gaan. In de honderden jaren die
ik op aarde heb doorgebracht, heb ik alle vreugden genoten die een mens
op deze wereld kan kennen. Ik ben gereed te gaan en de vreugden van de
volgende wereld te beproeven. '
En hij ging mee met de Dood, die hem naar de volgende wereld bracht, hoger,
hoger, steeds hoger, tot ze aan de hemel kwamen. De Dood klopte op de
poort en Sint-Petrus kwam en vroeg: 'Wie heb je daar bij je?'
Maar toen de Dood antwoordde: 'De ketellapper van Tamlacht' donderde Sint-
Petrus: 'De ketellapper van Tam/acht! Is dat die kerel die God niet goed
genoeg vond als peet voor zijn kind? Neem hem mee! Neem hem mee! Neem
hem mee! Breng hem hier vandaan!'
'Je ziet', zei de Dood, 'dat je naam hier bekend is. Het spijt me. Er
zit niets anders op dan het beneden, bij het andere verblijf, te proberen.'
Samen daalden ze de weg af, ze draafden omlaag tot ze aan de hel kwamen.
Toen de Dood op de poort klopte, bulderde binnen een zware stem: 'Wie
heb je daar nu?'
Toen de Dood antwoordde: 'De ketellapper van Tamlacht' klonk er een vreselijk
gebrul uit de hel: 'DE KETELLAPPER VAN TAMLACHT! - Ik heb ondervinding
opgedaan met die kerel! Neem hem mee! Neem hem mee! Breng hem hier vandaan!
Als ik die kerel hier binnenlaat, zal hij ons de grond te warm onder de
voeten maken! Neem hem mee! Breng hem weg!'
'Je ziet het', zei de Dood. 'Je reputatie is hier beneden ook al bekend.
Boven en beneden willen ze je niet toelaten. Wat moet ik nu met je? Ik
moet je maar weer op aarde terugzetten.'
Toen zei de ketellapper: 'Toen ik op aarde was, genoot ik alle vreugden
die de mens op aarde kan kennen. Ik zal er niet in toestemmen naar de
aarde terug te keren, of u moet erin slagen mij daar in de een of andere
nieuwe gedaante neer te zetten.'
De Dood zei: 'Ik kan niet met jou opgescheept blijven zitten terwijl ik
de wereld moet rondgaan en nog eens rondgaan in de tijd dat de wereld
nog bestaat. Ik moet je kwijt, hoe dan ook! In wat voor gedaante zou je
eigenlijk terug willen?' De ketellapper zei: 'Als jongen, toen ik nog
jong en onschuldig was en aan de oever van de rivier de Eme in Donegal
woonde, zat ik menige heerlijke zomerdag aan de groene oevers van de Eme
en keek naar de zalmen die sprongen en speelden in de rivier, en opsprongen
tegen de waterval in. Ik placht te denken dat niets ter wereld gelukkiger
leefde dan die zalmen. Ik wil dat je mij verandert in een zalm in de rivier
de Eme.'
En de Dood maakte van hem een zalm in de rivier de Eme.
Dat gebeurde vijfhonderd jaar geleden. De Eme is de beste zalmrivier
van heel Ierland en grote sportvissers komen uit vele landen om daar op
zalm te vissen. En al die eeuwen lang worden alle vissers die daar komen,
hevig getart door één beruchte zalm met een bruine vlek
op zijn schouder. Als zij aan het vissen zijn, is hij daar altijd aan
het spelen, hij springt voor hen uit en stuk voor stuk worden ze door
hem geplaagd en uitgedaagd en hevig getart. En de grootste en hartstochtelijkste
vissers komen jaar na jaar wraakgierig terug en zweren dat ze die plagende,
uitdagende, verleidelijke vis zullen vangen en zo een eind maken aan zijn
capriolen. Maar geen van hen is ooit in staat geweest die zalm te vangen.
Want die zalm is de ketellapper van Tamlacht die daar springt en speelt
in de rivier de Eme, waar hij zal springen en spelen zolang de wereld
bestaat.
|