Onmiddellijk na de brand spoedden wij ons naar de brandmeester
van Amsterdam, de heer Koperbuik, die ons handenwrijvend in de deuropening
tegemoet trad. 'Dat!, riep de heer Koperbuik uit, 'was weer eens
een echte, ouderwetse, uitslaande brand, nietwaar?'' Wat is een
uitslaande brand, brandmeester?'' Dat weten wij niet. Wij onderscheiden:
loos alarm, schoorsteenbranden, binnenbranden en uitslaande branden.
Maar wat dat zijn, dat weten wij niet.' 'Maar hoe wist u dan dat
dit een uitslaande...' 'Van de journalisten. Die zien dat direct.
Wij blussen alleen. Verder staan wij er buiten'. 'Hoe vond u het
dit keer?' 'Een verrukkelijk schouwspel. Nietwaar?' Eerst dachten
we, dat de vuur-zee zich tot de benedenverdieping zou beperken,
maar jawel hoor, de bovenverdieping ging er ook aan. 'En de huizen
ernaast, brandmeester?' 'Pardon?' 'De huizen ernaast, brandmeester?'
Brandmeester Koperbuik glimlachte. 'Ik meen u te begrijpen', zei
hij, 'u bedoelt de belendende percelen. Welnu, ik moet toegeven:
ze staan nog. Maar één ding hebben we bereikt: waterschade.
In elk daarvan heb ik achthonderd ton water gegooid. Ik maak mij
sterk, dat ze weer van de grond af moeten worden opgebouwd. Na een
brand kan er nog wel eens wat overeind staan. Maar heb je de spuit
er eenmaal op gezet, dan is het afgelopen. Ik zeg altijd tegen mijn
mannen: lever geen half werk, doe het grondig'. 'U hebt dus het
zware materiaal laten aanrukken?' 'Het middel-zware. Bij het allerzwaarste
rukt ook de motorspuit Jason uit.'"Vertel ons iets over de
motorspuit Jason, brandmeester.'
'De motorspuit Jason is een zo genaamde drijvende spuit met een
ca-paciteit van twaalfduizend ton per minuut. Een heerlijke uitvinding,
meneer. Toen zij pas nieuw was, spoot zij die hoeveelheid meteen
de eer-ste seconde eruit. We wisten dat toen nog niet. Ik herinner
me nog goed een augustusavond, toen we haar voor het eerst op een
belendend perceel richtten. Zullen we dan maar?' vroeg onderbrandmeester
Ketelaar. En in zijn onschuld draait hij het kraantje open: het
volgende ogenblik was het belendende perceel finaal tussen de andere
huizen weggespoten. U zult het niet geloven, maar het was gewoon,
met be-woners en al, er tussen uit geblazen. Mijn mannen waren toen
niet meer te houden. Ze spoten meteen het belendende perceel aan
de andere kant weg en wilden juist met de huizen aan de overkant
beginnen, toen de burge-meester tussenbeide kwam. Hij had bezwaren.
Wij hebben nooit de overheid mee, als het vakwerk wordt.'
'Spuit u nooit op het brandende huis zelf?' 'Zelden. Wij spuiten
alléén op de belendende percelen. De brand als zodanig
interesseert ons niet. Die beschouwen wij als een gegeven grootheid,
een speling der natuur, waarin berust moet worden. 'Wat was uw mooiste
brand?' Brandmeester Koperbuik keek over zijn sigaar heen in het
onbestemde. Zijn door de vlammen gebruind gelaat nam een verzaligde
uitdrukking aan. 'Mijn mooiste brand', zij hij peinzend, was in
juli. 'Ik lag juist in bed, toen de alarmschel op het nachtkastje
overging. Jongens, dacht ik, dat kon wel eens een uitslaand brandje
zijn. Enfin, wat doe je als brandmeester. Ik trek mijn goed aan
en hol naar buiten. En jawel hoor, de hele horizon vuurrood. Ik
blies meteen groot alarm.' 'Wat is dat, brandmeester?' 'Dat weten
wij niet. Het is alarm, maar dan heel groot. Het verschilt fun-damenteel
met b.v. loos alarm. Bij loos alarm ga je weer terug naar je bed,
maar bij groot alarm loop je door, net zolang tot je bij de brand
bent. Nu, ik zag het direct: een buitenkansje, zoals je als brandmeester
maar eens in je leven krijgt. Heel Knekeldijk stond in brand.' 'Dat
dorp ken ik niet' 'Dat wil ik geloven', sprak de heer Koperbuik
glimlachend, 'want nadat wij daar geblust hadden, is het nooit meer
opgebouwd. In het begin werkten we eenvoudig met het waterkanon,
straaltjes hier, straaltjes daar, enfin 't gewone door de weekse
spuitwerk. Jongens, dacht ik, als Jason nou maar komt, vóór
dat de zaak geblust is. Maar m'n mannen begrepen waar het om ging.
Ze hielden de boel warm, tot opeens Jason om de hoek komt aandonderen.
Ketelaar, die brave kerel, stond aan het kraantje. 'Mag ie. brandmeester?,
vraagt de wakkere borst. 'Ketelaar', zeg ik 'smijt 'm d'r in.' En
hij aan de gang. Ketelaar, die al jaren in het vak is, wist precies
waar het gevaar dreigde. Eerst spoot ie de burgemeester, de wethouders,
de raadsleden en al dat gespuis van het wegdek af. Toen begon hij
aan de omwonenden. Van de omwonenden heb je altijd het meeste last.
Die begrijpen een brand nooit. En dan moet je hard zijn. Eén
omwonende vliegt op me af en valt op z'n knieën voor m'n voeten.
'Omwonende' zeg ik, 'verdwijn, we gaan spui-ten' Maar hij zanikt
door. Toen zette Ketelaar er éven de straal op. Het was hard,
maar de brand gaat vóór. En toen, meneer, toen zeg
ik:mannen', zeg ik,' haal je hart op en vier je eens helemaal uit.'
Ik zal het nooit vergeten. Het langst bood de parochiekerk weerstand.
Die Middeleeuwse gebouwen dat zijn taaie rakkers, meneer. Maar we
kregen haar d'r onder. Eindelijk, toen er niets belendends en omwonends
meer was in het hele dorp, moesten we ophouden en trokken zingend
en spui-tend naar huis. En dat, meneer, was mijn mooiste brand'.
|



|