BIBLIOTHEEK  


reageren
 

Mijnheerken van Maldegem

In de serie "Vlaamse Geluiden" is in het begin van de 20e eeuw het sprookje van de 36 ketelaars verschenen. Dit sprookje is geschreven door Paul Kiroul.

Het sprookje handelt in Maldegem en wel in het bijzonder bij de Donkere Put van het inmiddels verwoeste kasteel "van Male". De graaf van Maldegem kwam op een dag een herder tegen met een hoorn om zijn hals. De graaf herkende deze hoorn omdat deze vroeger van hem was. De herder bleek vroeger als een van zijn wapenlieden het leven van de graaf gered te hebben en toen deze hoorn van hem te hebben ontvangen. Desondanks eist de graag de hoorn toch op en blies er op. Even daar waren ze omsingeld door een roversbende van 36 ketelaars met als hoofdman Ivo Ketelaar. Door tussenkomst van de herder werden ze gespaard waarbij de graaf plechtig had gezworen nooit te vertellen of te beschrijven dat er in 't Maldegemsche bosch rovers actief zijn. Thuis gekomen schrijft de de graaf met zijn voet in het zand de woorden "'t Bosch van Madelgem is met roovers belegd! Vang ze nog heden!". De 36 Ketelaars werden gevangen genomen en levend in de Donkere Put gegooid en de ingang werd dichtgemetseld. Als reactie daarop blies de herder zijn hoorn en riept uit "Wee 't kasteel van Maldegem ! Wee ! Wee !". Dit hield hij urenlang vol; ondersteund door het klokkengebrom. De volgende dag vetrok de kasteelheer naar Brugge. Toen hij op een zekere dag terug kwam - om te controleren of de put nog steeds was afgesloten - werd hij getroffen door een vallende boom. Naast hem de eveneenst dode herder met de hoorn. "Mijnherken van Maldegem had zich op de zes en dertig ketelaars gewroken ; God had zich gewroken op Mijnheerken van Maldegem voor de zes en dertig Ketelaars ! "

Als inleiding op het sprookje staat een inleiding van F. van Boogaerdt: "Hij is onze Vlaamsche Kiroul, onze beste verteller van verhalen voor de kinderen. Als zoodanig neemt hij in de Vlaamse letteren een aanzienlijke, vooraanstaande plaats in.

In de uitgave staan verschillende advertenties; met name van bedrijven uit Antwerpen.

Het sprookje van de 36 ketelaars is niet verzonnen door Paul Kiroul. Het is kennelijk een bekend sprookje in de streek. Op de site van Ludo Goethals wordt het verhaal gesitueerd op het kasteel van Reesinghe (zie foto links). Op de site van de stad Maldegem wordt het verhaal ook vemeld. Verder wordt het verhaal ook genoemd op de engelstalige site global beers.

Er is ook een lied bekend rondom deze legende; hierin worden de ketelaart gewoonweg rovers genoemd. Dit lied is o.a. terug te vinden op de stedeninfo site over legendes en . Het verhaal is verwerkt in het nummer "Heerke van Maldegen en op de CD "Nooit meer Krijt" gezet van de groep Kadril en terug te vinden onder hun lyrics. Het was hun eerste bescheiden radio-hit.

Op de volksverhalenbank is het sprookje ook te vinden.

Tenslotte is een verwijzing naar dit verhaal ook terug te vinden in het boek "Het Meetjesland - over koolhoofden en landschepen".

  1. Mijnheerken van Maldeghem
ghincker al uitter jaghen,
drie mijlkens buiten Brugghe,
daer stonter een linde breet;
hi en vont er niets te jaghen
als een herderken cleene,
hi moest hem teghen comen,
het was hem lief of leet.

2.
‘Wel herderken, wel herderken,
ic souder u geiren vraghen,
wat wonder avontuere
is in dit bosch te sien?
van waer comt desen horen,
desen overschonen horen?
doe ic hem lest aenschouwde,
behoorde hi aen mijn.’

3. - ‘Mijnheerken van Maldeghem,
ghaet hier uit onser straeten,
want desen schonen horen
en gaet er u niet aen;
blies ic op minen horen,
mijn overschonen horen,
die XXXVI Keteleirs
die souden wesen gram.’

4. Mijnheerken van Maldeghem
en wildet niet gheloven,
hi nam hem ende sette
hem aen syn roden mont:
die XXXVI Keteleirs
die quamen uit tbosch ghespronghen,
ghelijc de wilde hasen
voor enen temmen hont.

5. ‘Hout op, o cameraden,
van cappen ende kerven,
en slaeter toch mijnheerken
van Maldeghem niet doot!
ic heb met hem ghereden
door dorpen ende steden,
wel seven jaer ghedronken
ende gheten van sijn broot.’

6. Mijnheerken van Maldeghem
die schooter al in sijn tassche
ende gaf drie goude penninghen
aen desen herder coen:
- ‘wi sijn ons sesendertigh
mannen van avonturen,
er is voor deen oft dander
gheen cousen ofte schoen.

7. ‘Mijnheerken van Maldeghem
ghi moet er ons hier beloven,
gheel vaste gaen beloven
al op u eerlikheit:
dat ghi het niet en sult segghen,
oft met gheen penne schriven,
als dat den bosch van Maldeghem
met rovers is beleit.’

8. Mijnheerken van Maldeghem
die hevet stille ghesweghen;
hi en heeft het met gheen penne
gheschreven ofte gheseit;
maer heeft met sinen voete
tot Brugghe int sant gheschreven,
als dat den bosch van Maldeghem
met rovers lach beleit.

9. Mijnheerken van Maldeghem
rieper al tot de sinen:
‘die XXXVI keteleirs
grijptse maer bi der keel;
ende doet aen ieder harer
enen iseren halsbant vaste
in donderaerdschen kerker
opt Maldeghems casteel.

10. ‘Ende gheeft hem een brootjen
ende een cruike water
in donderaerdschen kerker
ende metselt dinganc dicht.’
- ‘Mijnheerken van Maldeghem,
schenct toch ghenade en metselt
in donderaerdschen kerker
den inganc toch niet dicht.’

11. Mijnheerken van Maldeghem
en woonde na dien tide
op sinen ouden casteele
gheen langhe daghen meer:
den kerker bleefer ghesloten,
die linden standen te groenen,
den enen steen die vieler
al op den andere neer.

12. In donderaerdschen kerker
daer spooct het noch alle nachten,
men sieter noch de muren
met diseren halsbant aen.
O reisigher, comter savonts,
maect stille tcruise des Heeren
ende stapt wat seerder over
de Maldeghemsche baen.

De voetnoot meldt: Keteleir, ketellapper, rondzwervende, slechte kerel.
[p. 78]
  De Vlaamsche geluiden was een maandelijkse uitgave van Goedkope Volkslectuur. De Vlaamse geluiden was gevestigd in Borgerhout bij Antwerpen.

Met dank aan Rudi de Groot van de universiteitsbibliotheek van Leuven voor het maken en opsturen van een copy van deze uitgave.